dinsdag, juni 25, 2019

We help you work

(Leestijd: 2 - 3 minuten)

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Op 30 augustus 2016 heeft de Rechtbank Zeeland-West Brabant uitspraak gedaan in een zaak van een werknemer tegen zijn werkgever.

 

Wat is er gebeurd?

De werknemer wordt op 14 maart 2016 in Duitsland in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van een strafbaar feit. Vanaf de arrestatie van de medewerker en de inhechtenisneming heeft de werkgever geen salaris uitbetaald. Werknemer laat dit door zowel een familielid als door de raadsman bij de werkgever melden.

 

Op 28 maart 2016 ontslaat werkgever de werknemer op staande voet, en geeft daarbij als motivering de volgende reden:

“U bent zonder bericht van verhindering en zonder geldige reden vanaf 16 maart 2016 niet meer op het werk verschenen, zodat sprake is van werkweigering. Om die reden zeg ik het dienstverband met u op, op grond van een dringende reden, een en ander met onmiddellijke ingang. Daarbij speelt, zowel afzonderlijk als in samenhang beschouwd, een rol dat ik inmiddels heb begrepen dat u zich in Duitsland bezig gehouden hebt met criminele activiteiten op het gebied van drugs. Dergelijke werkzaamheden verdragen zich niet met de verantwoordelijkheid die bij uw functie hoort. Los daarvan heb ik u ook geen toestemming gegeven voor het verrichten van nevenwerkzaamheden als bedoeld in art. 6 van de arbeidsovereenkomst. Ik zal opdracht geven een eindafrekening op te stellen.”

 

De rechter oordeelt in deze zaak echter dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.

De rechter bepaald dat een strafrechtelijke verdenking niet kan leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden. Verder houd de bewering van de werkgever " U bent zonder bericht van verhindering en zonder geldige reden vanaf 16 maart 2016 niet meer op het werk verschenen, zodat sprake is van werkweigering" geen stand, want de werknemer heeft de werkgever wel degelijk op de hoogte gebracht van het feit dat deze niet op het werk kon komen.

Daarnaast wordt aangevoerd dat het ontslag niet onverwijld is gegeven.

 

De kantonrechter

• vernietigt daarom het op 28 maart 2016 gegeven ontslag op staande voet;

• veroordeelt de werkgever tot wedertewerkstelling van de werknemer na het einde van de voorlopige hechtenis, en voor zover werknemer zich na het einde van de voorlopige hechtenis beschikbaar stelt en houdt, tot doorbetaling van het loon van de werknemer na terugkeer uit voorlopige hechtenis.

bron: ECLI:NL:RBZWB:2016:5505

 

Conclusie

• Als je dit aan een HR Manager voorlegt, zul je de opmerking krijgen dat deze uitkomst al van te voren voorspelbaar was.

• Uit eigen ervaring weet ik dat we zijn nogal snel geneigd om het begrip werkweigering in de mond te nemen

• Goed advies van te voren had deze werkgever waarschijnlijk veel geld bespaard.

 

Culemborg, 18 oktober 2016